‘Voetbal in Sellingen; dat was wat…’

SELLINGEN – Hè. Derk Boerma? Loop die nou nog op het voetbalveld van Sellingen dan? Een paar weken geleden zond RTV Noord een reportage uit over de promotie van Sellingen. Van de vijfde naar de vierde klasse. Arend Scholtens, trainer blijkbaar, deed toen vreselijk ingewikkeld en belangrijk. Derk niet, die riep ‘zigge zagge, zigge zagge’ en iedereen riep hem na. Sellingen. Ja man. Het veldje ligt er nog net zo bij als vroeger. Als vroeger in de tijd van Harm Scheper. De tijd van Frans Smid, Klaas Gringhuis, Henkie Scheper en verzorger Jan Kremer. De kantine is verplaatst, maar verder is alles bij het oude gebleven. Zo leek het althans.

Sellingen. Och, man. Engel Behling. De voorzitter. Is niet meer onder ons. Een bevlogen voorzitter vooral, een aardige man. Hij las bovendien altijd pal voor weer een kraker tegen WEO of Scheemda de opstellingen voor. En Engel was een echte Grunneger. Hij legde de klemtoon nogal op de A. Doelman Albert Swama werd Albert Swamááá. Ach, Engel. Is niet meer. Leuke man.

Zondagmiddag rond de klok van 12.30 uur was het zover. Dan kwam de bruine Opel Record voor. Jan Kremer toeterde een keer en een minuut later reisden we af naar Sellingen. Jan was verzorger, ik klein jongetje. Jan’s zoon was m’n beste vriend. En dus waren we de twee vaste mascottes van het eerste elftal, dat aanvankelijk onder leiding stond van Meint Smit. Meint was trainer. Droeg een Puma-jasje en reed in een lichtgroene Alfa Romeo. Z’n vrouw was er ook altijd, net als af en toe zijn bepaald niet onaantrekkelijke dochter. Meint was exponent van de no-nonsense trainer. Meint benoemde zaken tenminste, iets waar de trainers van nu een voorbeeld aan kunnen nemen.

‘Verdamme. Roelie Tamm’nga. Stait gewoon met de hand’n bie de potlood. Verdamme, zo win je ja nooit een pot.’

Wie Meint zag lopen, had nooit bevroed dat hij vroeger een verdienstelijk speler was. Jan Wouters zou lachen om de kromming in Meint’s benen. Het elftal van Sellingen was in die tijd heel behoorlijk. Het draaide een beetje om Klaas Gringhuis. Hij was ook aanvoerder. Dát verbaasde me dan weer wel. Klaas zei namelijk nooit heel veel. Klaas was wat ze in Engeland een marathonman zouden noemen. Die liep een halve marathon per wedstrijd. Klaas was een box-to-box speler en nam de strafschoppen. Voor hem kocht je echter geen kaartje. Klaas zei ook erg weinig. Moi en tjeu. Dan hield het wel een beetje op.

Een kaartje kocht je wel voor Henkie. Schepers van de achternaam. Henk kwam niet uit het dorp. Hij woonde in Musselkanaal waar hij barkeeper was van een tamelijk populair café. Jan moest behalve mij ook Henkie oppikken. Van een leien dakje ging dat nooit. Henkie lag in negen van de tien gevallen namelijk nog op één oor. Daarom ook was Jan altijd vroeg. Henkie kon heel erg goed voetballen, maar was dus nooit echt uitgerust op zondagmiddag. Henk beheerste de schwalbe. Speelde met afgezakte kousjes en scoorde veel. Zijn zwarte bos met krullen deed de rest. In het doel stond dus Swama. Een topkeeper én een opgewonden standje. Albert was nogal eens geschorst. Albert deed eerst, en dacht dan. Raakte je hem aan, dan sloeg Albert je zo één voor de neus. Terwijl hij buiten het veld alleraardigst was. Timide bijna. Beer van een vent. Gedrongen en de man die volgens de verhalen ooit een affaire had met Mariska van Kolk. De eerder genoemde Derk Boerma was de man die het vooral van hard werken moest hebben. Een links- of rechtsback. Elk jaar weer dacht iedereen dat hij niet in het eerste zou komen, elk jaar weer knokte hij zich terug. Voor de positie aan de rechterkant had hij concurrentie van Henk Gelling. Iedereen noemde hen Henkie, terwijl hij niet echt klein of mager was. Henk was een beetje gek. Apart. En gek op bier. Kwam de eerste krat bier na de wedstrijd onder de tafel, dan sloeg Henk meteen in en verdwenen er een aantal in de voering van zijn jas. Als Henk richting toilet liep, dan hoorde je de flesjes tegen elkaar tikken. Henkie was zo gek als een deur. Maar niet gemeen. Niet iemand met een verborgen agenda. Henkie was gewoon Henkie. Die back met bier in de jas. Je wist niet beter.

Och ja. Ooit kwam Harrie Mauer de gelederen van Sellingen versterken. Mauer. Met hem zou de top bereikt worden, zou de uitwedstrijd bij WEO een keer wel gewonnen worden. Mauer kon geweldig god koppen. Zag er uit als John de Wolf, maar dan drie keer erger. Mauer slaagde niet echt bij Sellingen. Hij kon nog steeds goed koppen, maar de voorzetten bleven uit. Henkie – die van de bierflesjes- kwam wel op aan de rechterkant, het geven van puntgave trekballetjes was niet echt z’n specialiteit. Mauer werd later zelfs voorstopper. Deed ie heel behoorlijk. Nog weer later kwam Willie Soer in beeld. Willie, beste jong. Echt een beste jong. Maar – Sellingen leek er patent op te hebben- wel een met gebruiksaanwijzing van ettelijke honderden pagina’s. Willy trapte soms zomaar na. Zonder reden. Je zag het aan zijn gezicht. Een dribbel, bal kwijt, de achtervolging werd ingezet en wéér vloog een speler over de reclameborden.

Sellingen was echter vooral Harm Scheper. De beste van allemaal. Harm was een beetje zacht misschien, maar had dan wel weer een weergaloze techniek. Hij stopte ballen met zijn achterwerk. Had een steekpass in de benen, was technisch vaardig maar niet door iedereen geliefd. Misschien was hij wat te klouk. Frans Smid bijvoorbeeld, kon niet goed samen spelen met Harm. Frans was ook spelverdeler, maar wel een heel ander type. Gemener vooral en gezegend met een dodelijk schot. Frans en Harm, dat waren twee kapiteins op één schip. Ooit vertelde Frans me dat hij alleen als hij echt niet anders kon de bal op Harm speelde. Maar dan wel steeds net iets te hard. Frans gaf de ballen dan zo, dat het leek alsof het Harm’s schuld was dat de bal over de zijlijn rolde. Frans werd later trainer van de zaterdagtak. Frans rendeerde nooit optimaal als voetballer bij Sellingen. Kwam door de aanwezigheid van Harm, wiens vrouw er ook altijd was. Volgens mij heette ze Jannie. Ze wist altijd alles van iedereen. De vrouw van Frans heette Trui. Niet bekend is of Trui en Jannie wel met elkaar door een deur konden.

Toeschouwers? Die waren er altijd voldoende. Luutje Bos is er nu nog altijd. Maar wat te denken van Carrie en Appie Bos. Hun zoon heette Karel, maar omdat er ook nog een andere Karel Bos was, werd het Witte Karel en Zwarte Karel. Of zoals Behling omroep: ‘met nummer zes Karel Bos Wit en met nummer 11 Karel Bos Zwart’. Wichard was de andere zoon van Carrie en Appie. Appie had een baard en was zijn tijd dus ver vooruit. Hij kamde die baard, gewoon aan de rand van het veld. Carrie had een mening en stak die nooit onder stoelen of banken. Carrie was meedogenloos. Ooit spijkerde hij een van z’n honden vast aan een plank, door het oor. De hond had de nare gewoonte nogal eens weg te lopen namelijk. Wie niet luisteren wil, moet maar voelen oordeelde Carrie. Over de zaterdag gesproken, ook die tak kende op een bepaald moment een opmars. Een van de cultuurbewakers van dat team was Jos Ophof. Nooit eerder zag ik zo’n sterke vent. Hij liep dwars door een muur. Ooit liep ie echter eens een wondje op en dat wondje maakte een einde aan het leven van Jos, in de kracht van z’n leven. Jos leek onsterfelijk sterk. Het bleek helaas anders. Wim Bruining speelde ook al een rol bij de zaterdag, net als Egbert Huiting. Egbert was bikkelhard en bijzonder. Egbert was een natuurmens. Als een speler een bal in de boom schoot, dan zat Egbert drie tellen later in die boom om de bal te pakken. Egbert kon beter klimmen dan voetballen, al had je een hele vervelende middag als je tegen hem speelde. Dat gold ook voor Wietze Ots. Die was groot en sterk en sloopte elke spits. Bovendien schoot hij harder dan Ronald Koeman. Alleen de richting ontbrak nogal eens. In de lagere zaterdagteams had je nog Aike Smook. Als klein ventje dacht ik dat hij louter en alleen bier dronk. En Wietse Mooibroek speelde er ook. Ze noemden hem Wiekie. Hij breed in een stokoude Peugeot.

De allerbeste voetballer van Sellingen vond ik zelf Jan Vloo. Speelde bij de zaterdag en kon kappen en draaien als gene ander. Jan vond het wel goed allemaal. Spande zich niet erg in. Had hij dat wel gedaan, was het een topper geworden. Jan liet wél z’n naam veranderen. Van Vloo was hij op een bepaald moment zat. Hij heette voortaan Jan Zevenbergen. Heb ik nooit aan kunnen wennen.

In Sellingen leefde het voetbal. De oude, houten kantine. De verloting, de stem van Engel, het simplisme van Meint. Dát was Sellingen. Je zou er een boek over kunnen schrijven. Gelukkig promoveerde de club dus onlangs weer naar de vierde klasse. Daar horen ze ook. Kanttekening: in vroeger tijden was trainer Scholtens zeker tot de orde geroepen. Door Carry en door Frans, maar zeker ook door Harm. Voetbal is in Sellingen altijd heel simpel geweest. Arend moet niet proberen dat te veranderen.

Door: Vincent Muskee

Veerbeekjes

Sellingen was natuurlijk ook de familie Veerbeek. Pa Jan was slager in het dorp, maar specialiseerde zich later in veiligheidsnetten. Iedereen kende hem. Zijn zoons voetbalden. Iwan was aanvaller, Erik Jan ook. Rolf was centrale verdediger, al was hij ook ooit topscorer van Tynaarlo. En Ronald werd doelman. Het kwartet sloeg de sportieve vleugels uit. Erik Jan was jarenlang bepalend bij Valthermond, terwijl ook broer Rolf daar een aantal jaren speelde. Iwan deed dat ook, al haalde hij nooit het eerste elftal. Erik Jan speelde nog bij BV Veendam en Nieuw Buinen, doelman Ronald speelde ook al bij Valthermond en nu nog steeds bij ASVB. Pa Jan probeerde zijn jongens altijd te volgen. Werd grensrechter. Was kettingroker en vooral heel erg trots.