Interview Paul de Boer, de man achter de legendarische Benzinebar

GRONINGEN – De enige kroeg in stad waar je op ongeoorloofde tijdstippen nog naar binnen kunt, waar je aan de bar kunt blijven hangen tot de zon weer opkomt, een café waar de meisjes van plezier vóór de legalisering van de prostitutie steevast hun afzakkertje kwamen halen na werktijd. De Benzinebar in de voormalige hoerenbuurt was mateloos populair in de jaren 90. Twee eruit, twee erin. Veel verder dan de hoek van de bar kwam je niet in het holst van de nacht. Nu is eigenaar Paul de Boer blij met de paar dorstige trouwe stamgasten die er nog over zijn. “Ik voel dat het voorbij is. Mijn publiek is dood.”

Paul de Boer draait de oude donkergroene gebogen deur van de Hoekstraat 44 van het slot. “De VIP-ingang naar het hol des verderfs, haha.” Met z’n grijze lange Santa-baard, bril met zwart montuur en gele gazen, grof gebreide wollen trui en zwart lederen Harley Davidson vestje waar een aardige bierspoiler uitpuilt, een bijzondere verschijning. Straks de kroeg, eerst naar de zolderkamer boven het café. Via de trappen van het oude pakhuis wandelen we naar boven waar het daglicht alleen nog naar binnen gluurt via een smal raampje dat boven de werktafel zit.

Jarenlang de ‘thuis’ van Benzinebarman Paul de Boer, nu de plek om zijn roes uit te slapen na een lange nacht biertappen. De levende legende zet een pot koffie, pakt een thermoskan plus twee glazen en veegt de paparassen –TDK 90 minuten cassettebandje, cd ‘Bij ons in de Jordaan’, enkele Delfsblauwe tegeltjes, valsgelddetector- aan de kant. De propvolle zolderkamer is verlicht door jukeboxen –‘mijn fascinatie’- en door het neonlicht van oude benzinepompen. Het oudejaarsfeest van ’79-’80 werd het begin van de rijke, roemruchte historie van de Groningse Benzinebar.

beznineDe fameuze tapperij in de wat louche achterbuurt van de stad is ooit ontstaan als sleutelplek voor jongens en meiden van The Hooks, een motorclub van jongelui met oude Harley’s, Moto Guzzi’s en Triumphs, waar De Boer deel van uitmaakte. “We kwamen iedere week bij elkaar in het pakhuis aan de Peperstraat”, begint Paul de Boer zijn verhaal. “Altijd met een man of tien. Lekker sleutelen aan onze plofs, daarna bierdrinken. 1975 was het. Klokslag twee uur ging de boel dicht. Verplichte sluitingstijd. We hadden behoefte aan een eigen plek. Een plek waar alles kon. Verplichtingen hadden we niet.” In 1980 kocht (nu compagnon) Gerard Gosen samen met twee vrienden pakhuis Amsterdam en het naast gelegen pakhuis Hamburg. Toen de twee andere investeerders er later vanaf wilden werd De Boer, eerst voor een derde, daarna voor de helft eigenaar van de panden. “We moesten de boel eerst flink aanpakken. Het Rijksmonument was een bouwval. Je kon zo van beneden naar de lucht kijken. Vol duiven zat het ook.” Paul de Boer werkt eerst wat zwarte koffie achterover. Slaakt een diepe zucht. “Even bijkomen van een jetlag hè. Sla al jaren een nacht over.” De verjaardagsfeesten van de motorclubleden, die de hele nacht door gingen, werden de aandrijfas voor de Benzinebar. “Die feesten liepen behoorlijk uit de klauwen. Werden steeds groter. Er zaten een aantal muzikanten bij de club, die speelden tot in de late uurtjes. Al snel werd bekend dat je na sluitingstijd nog bij de motorclub in pakhuis Hamburg terecht kon. Een gekkenboel was het. Dansen tussen de motoren.”

Toen de kunstenares in het naastgelegen pakhuis Amsterdam vertrok, bombardeerde De Boer nummer 44 tot ‘Café de Fles’. “We dronken alleen maar flesjes bier hè? Dat werden er uiteindelijk zóveel dat Domien Beeres van de drankhandel in de Oude Kijk in ’t Jat ons smeekte een tap te nemen.” Die tap kwam er, de benzinepompen volgden snel. Paul de Boer kocht op veilingen en beurzen oude brandstofpompen, emaillen borden en jukeboxen op en vulde er de kroeg mee. “Eén pomp deed het nog. De diesel vloeide regelmatig over de vloer, spekglad, dieseldamp”, herinnert Paul zich. “Toen wist ik: dit wordt de Benzinebar.” Begin van het enorme succes. De Benzinebar, dáár gebeurde het op goddeloze tijdstippen. Bizar druk, iedere zaterdagnacht opnieuw. Met mr. Paul de Boer als vaste dj. “Twee eruit, twee erin was het beleid. Ik had standaard twee bordjes achter de draaitafel: ‘Geen verzoeken. Kut hè?’ En: ‘SH’, staat voor slechthorend. Kneiterharde muziek. Altijd. We waren geen café om gezellig te kletsen. Dansen en zuipen. Totdat je erbij neerviel. Met een schuin oog op de dansvloer hield ik in de gaten: ‘als die maar in beweging blijft is het goed’. Topjaren waren het. We werkten standaard met 6 man, twaalf jaar lang.”

‘Vroeger draaide ik de plaatjes, nu sta ik achter de bar en lul me een slag in de rondte’

Hoe anders is dat in 2016. Het café waar álles geoorloofd was, de hoeren na werktijd een borrel kwamen halen, je straffeloos een peuk op kon steken, waar er weleens een hand onder een vreemd rokje verdween, je tot kwart voor twaalf in de ochtend kon blijven hangen om vervolgens met een clubje andere lamlendelingen naar Kaap Hoorn te verkassen, is op sterven na dood. Geen volk meer, geen feesten, geen prostituees. Die laatste zijn overigens verdwenen toen de prostitutie is gelegaliseerd. “Ineens waren alle Belgische, Duitse en Franse meiden verdwenen. Kwamen er oostblokkers. Wit Russen, Polen en Oekraïners. Die gingen helemaal niet meer uit. Zaten er puur voor de poen”, weet De Boer.

“Vroeger draaide ik de ene plaat na de andere, nu sta ik achter de bar en lul me een slag in de rondte. We zijn een café geworden waar mensen aan de bar zitten. In de negentigerjaren ondenkbaar. Kon je alleen maar staan. Als palingen op elkaar gepropt. Nu hebben we amper besloten feesten meer, nauwelijks nog gasten op zaterdagavond. Vanaf 2000 is de boel volledig in elkaar gezakt. Lukt het niet meer om de tent vol te krijgen. Er is veel veranderd. Onze doelgroep is niet meer. Ook in andere cafés zijn ze niet te vinden. En met de jeugd hebben we geen aansluiting. Die gaan naar festivals. Of spreken af via Whatsapp. Gaat de één niet, blijft de ander ook thuis. Het is niet meer zoals vroeger ‘even spontaan de stad in en we zien wel waar we belanden.’ Nou ja en we zijn het de brandweer, de politie, de GGD en het Martini Ziekenhuis kwijt. Artsen in opleiding gaven hier vaak hun afstudeerfeest. Ze studeerden hier, gingen uit in de stad en wilden het hier afsluiten. We waren echt een begrip in die jaren. Dat is over nu. Ik voel dat het passé is.”

Paul de Boer loopt de trappen af naar beneden. Draait een dikke, geel geverfde deur open, tikt met het handvat van een paraplu de lichten aan. De legendarische Benzinebar, waar tijdens zaterdagnachten van weleer geen detail te onderscheiden was, licht op. Koplampen van een oude Chevy beschijnen het podium. De muren zijn behangen met oude emaillen borden van Zundapps, Horex, andere motoren en brandstofmerken. Het donkere hol staat tjokvol met jukeboxen en antieke benzinepompen. De smoezeligheid en de geur van bier nemen je mee naar vervlogen tijden. Paul de Boer zet nog even door. Omdat het kan. De boel is van hem zelf. Is afbetaald. Maar wel zolang het leuk is. Een dagcafé in de straks mooi opgeknapte buurt (de gemeente is voornemens het hele A-Kwartier een flinke facelift te geven) ziet De Boer niet zitten. “Ik ben geen man voor kwisjes en tosti’s’ maken.” Hij kapt ermee op het moment dat hij het helemaal heeft gehad. “Over niet al te lange tijd ga ik een afscheidsfeest geven. En dan wordt het waarschijnlijk zó druk, dat ik er nog één moet geven. En nog één. Zo bloeden we langzamerhand dood. Dat heb ik een beetje in m’n hoofd. Als ik afscheid neem, bel ik je.”

Paul de Boer woont op een boerderij in Westerbroek, bij Hoogezand. Samen met zijn paarden, dochter van vijf, vriendin, Harley’s, een stuk of wat andere motoren en een berg katten. Met de Harleyclub van Terschelling toert –ie regelmatig naar Treffersconcerten, muziekfestivals voor motordudes. Eén keer per jaar gaat hij op pad met de internationale Harleyclub voor de ‘superralley’. Doet -ie al dertig jaar lang. Dit jaar voerde de tocht naar Spanje. Vier dagen heen, vier dagen terug. Tentje achterop, de wereld in. “Dagenlang toeren tussen de boeren en bevolking, dorpscafeetjes aandoen. Dwars door de natuur, dat vind ik machtig mooi. Met zondagsrijders heb ik niets. Met de TT trouwens ook niet.” Na het Benzinebartijdperk zou Paul de Boer het liefs verkassen naar Terschelling. “Maar dat gaat niet. Overdag ben ik oppas. Vermaak ik m’n meissie, met al haar vriendjes en vriendinnen.”