Interview met Groninger cultfiguur Kees van der Hoef

GRONINGEN - Stadsicoon Kees van der Hoef met zijn zelfgemaakte collages over diverse onderwerpen 12-10-2016

GRONINGEN – Wie denkt dat stadsicoon Kees van der Hoef (1935) zit te verpieteren achter de geraniums heeft het mis. Geen geraniums in de vensterbank van de stadsdichter, oud-discjockey, provo, schrijver, uitgever en organisator van talloze literaire avonden en manifestaties waar hij zelf ook optrad. Een schaar, stiften en een pot lijm in plaats van bloempotten. De Groninger rock ’n roll legende die veelvuldig optrad in cafés en theatergezelschappen houdt zich tegenwoordig bezig met het maken van collages. Stapels knip- en plakwerken van onder andere de Rolling Stones, Michael Jackson, Bowie en de gouden jaren van rock staan achter elkaar tegen het tafeltje in zijn kamer in verzorgingstehuis De Pelster. “Ik loop moeilijk, hoor slecht, maar mijn creativiteit heb ik nog”, vertelt Van der Hoef die zelfs een voornaamstatus verwierf. Schreven de media over Kees, wist iedereen over wie het ging.

‘Ik loop moeilijk, hoor slecht, maar mijn creativiteit heb ik nog’

Toen Kees van der Hoef een jaar of tien geleden werd aangereden en zijn heup brak, ging het mis. Daar heeft hij zo’n lichamelijke en mentale klap van opgelopen dat de meeste dingen die hij graag deed niet meer kunnen. Maar wat graag vertoefde hij op goddeloze tijdstippen in kroegen en cafés in zijn stad. Voor een gezellig praatje én een lekker biertje. “Mijn god, wat heb ik een plezier gemaakt in de uitgaansetablissementen.” Noodgedwongen moest -ie (hij kwam de trappen niet meer op) verkassen van z’n knusse huisje in binnenstad oost naar de Pelsterstraat, naar een kamer op drie hoog in verzorgingstehuis De Pelster. “Hier red ik me prima hoor, lekker eten, goede verzorging. Heb je de foto-expositie op de eerste etage gezien? Groningen Lens geschoten. Heb ik georganiseerd. Allemaal werk van topfotografen uit Groningen.” Optimist Van der Hoef kijkt naar wat hij nog wél kan. De deur van kamer 316 staat al wijdwagen open wanneer we binnenstappen. Van der Hoef zit in z’n gemaksstoel voor het raam te midden van stapels boeken, vinyl langspeelplaten, cd’s, krantenknipsels, foto’s en aantekeningen. Boeken over de beste films allertijden, de tweede wereldoorlog, een hele reeks Elsevier encyclopedieën liggen opgestapeld op de vloer, in de kast en op het bureau waaraan hij aan nieuwe gedichten werkt. Een museum op een paar vierkante meter. “Kijk, hier houd ik me de laatste tijd mee bezig”, zegt de 81-jarige cultfiguur -die zich ooit dj Kacy liet noemen- terwijl hij een plakwerk tussen een enorme stapel collages wegtrekt. Op een groot stuk stevig karton prijken de zangers van de Stones, met afstand zijn lievelingsband. Aangevuld met stukken tekst, koppen en her en der in driehoeken en rondjes geknipte stukjes gekleurd papier. In het midden zit het singeltje ‘Paint it black’ geplakt. Het is een van de vele collages die Van der Hoef vanuit zijn stoel maakt. Karton op schoot, schaar en plaksel voor het grijpen in de vensterbank. “Je zou het niet zeggen, ik was scheidsrechter en grensrechter, liep als een haas. Daar is niks meer van over. Mijn creativiteit is altijd gebleven gelukkig. De openbare bibliotheek hier in de stad hield laatst een veiling van kunstwerken. Vijf collages hadden ze van me. Vier verkocht. Rijk ben ik er niet van geworden, maar leuk om te doen is het wel.”

Je moet hard en duidelijk praten, wil je met Van der Hoef communiceren. Zijn gehoor heeft hem behoorlijk in de steek gelaten de laatste tijd. Trad –ie vroeger regelmatig op in jazzcafé de Vestibule in Oosterstraat, nu kan –ie zijn zo geliefde rhythm & blues alleen nog horen in gedachten. Of misschien wanneer de geluidsinstallatie op maximaal volume staat. Maar dat is geen optie in De Pelster. Dat Kees van der Hoef een stadsicoon is, staat als een paal boven water. Buddy Hermans maakte vorig jaar, ter ere van zijn tachtigste verjaardag, een film over het leven van Kees van der Hoef. Sinds zes jaar is er de ‘Kees van der Hoefprijs’ die uitgereikt wordt aan een persoon die zich organisatorisch verdienstelijk heeft gemaakt in het literaire leven van de stad Groningen of daar een stimulerende rol in heeft gespeeld. Meer dan tien boeken en bundels gaf hij uit. Met verhalen en gedichten over stad, de gouden jaren van rock, z’n vader en moeder en over een zak patat die hij wilde kopen, maar 1 cent te kort kwam en de koop niet doorging. “Mijn laatste bundel is helemaal uitverkocht. Ik laat wat nieuwe bijdrukken”, vertelt hij terwijl hij zijn broze lichaam uit de stoel omhoog drukt. “Help heel even. Als ik maar eenmaal sta, lukt het wel.” Van der Hoef scharrelt een bundel op. ‘De beste verhalen van Kees van der Hoef’, staat op de cover. “Ik zal je mijn lievelingsgedicht voorlezen. Het staat op de eerste pagina. Junioren Leed heet het.

De kleine keeper in het grote doel
Was reeds 9 maal verslagen
Achter hem hoorde hij het gejoel
Het was meer dan hij kon verdragen

De bal was hard en glad
Al 9 maal ging hij naar het net
En niemand wist dat hij in stilte bad
O, heer lag ik maar in m’n bed

De kleine keeper in het grote doel
Werd nog 7 keer gepasseerd
En toen, in het algeheel strijdgevoel
Is hij hem heel stilletjes gesmeerd

De kleine keeper hangt ingelijst in –toen nog –sportcafé Flip, in de Zwanestraat. Of het er nu nog hangt, weet ik niet.” Tot voor kort kwam hij de deur nog wel eens uit. Drie à vier keer per week naar het terras van De Beurs, een paar honderd meter van zijn woning. Vaste prik. Voor een kop koffie en de verhalen. “Leuke ontmoetingsplek voor mensen van mijn leeftijd. Wat we zoals bespraken? Voetbalverhalen, de fc. En wie er nu weer dood was. Helaas is dat er nu even niet meer bij. Of ik moet al even iemand mobiliseren die me brengt en haalt. Volgende week moet ik naar het ziekenhuis. Eens kijken of ze me nog een beetje kunnen oplappen. Loop je nog even langs de eerste verdieping voordat je weggaat?’, zegt Van der Hoef knipogend vanuit zijn stoel. “En breng me nog even een stapel kranten als het interview gepubliceerd is. Vinden de mensen leuk hier.”