Interview met dichteres, kunstenares én bekende Stadjer Titia Lodewegen

GRONINGEN- “Zwart moet het zijn. Gitzwart. De vormgeving van mijn poëziebundels, mijn handschoentjes, mijn schilderijen, de basis is áltijd zwart. Dat kwam in 1982 vanuit mijn allerbinnenste naar boven. Ik heb het nooit meer losgelaten.” Twee dichtbundels gaf dichteres en kunstenaar Titia Lodewegen (70) uit, een derde durfde ze –ondanks dat de boekjes binnen no time waren uitverkocht -door de recessie niet aan. Liever publiceert ze nu via social media. Maar Titia is nog zoveel meer. De huisvriendin van wijlen schrijver Belcampo tovert simpele zwarte handschoentjes zonder vingers om in barokke juweeltjes.

‘Ik ben zover gekomen door heel goed naar mezelf te luisteren’

“Zal ik je eerst even rondleiden”, roept Titia Lodewegen –blond, schouderlang los vallend haar, rond brilletje met dik, zwart montuur- uitgelaten wanneer ze de voordeur van haar appartement aan de Violenstraat openslaat. “Laat de deur maar op een kier. Ik rook.” De betonnen vloer, de ongesausde wanden waar hier en daar met stift aantekeningen zijn opgekalkt, de zwarte voile gordijnen, het gedempte licht en de schildersezel op de antieke tafel (inclusief schilderij dat af is) hebben iets weg van een theaterdecor. “Dit hier is de poëtische ruimte”, vertelt ze over de kamer rechtsachter in het appartement. “Hier schrijf ik. En heb ik de geest om te schilderen, gaat alles aan de kant.” De vele graffitiachtige, zwarte strakke lijnen op de muren vallen op. Alsof ze met een spuitbus de randen van een schilderij heeft gevolgd en het toen heeft weg gehaald. “Ik houd niet van de witte zijkanten van een doek. Die spuit ik mee in kleur. En als ik ze daarna van de wand haal, is dit het resultaat. Vind het wel mooi”, zegt Lodewegen terwijl ze het kamertje ernaast betreedt. Een bed met een soort klamboe erboven en een zwarte boekenkast waar naast boeken ook zwarte schoenen en laarzen in staan, vullen de kleine ruimte. “Dit is mijn slaapkamer voor als ik in huis gerookt heb. Hier kan ik heerlijk chillen. De balkondeur gaat open, de oude watertoren bezorgt me een geweldig uitzicht. Vooral als –ie helemaal verlicht is. Prachtig. De liefde voor schoenen heb ik overgehouden uit de tijd dat ik een winkel had in tweedehands designkleding. Hetzelfde als mijn voorliefde voor zwart. Dat kwam in 1982 vanuit mijn allerbinnenste naar boven. Ik heb het nooit meer losgelaten. Let trouwens niet op de stof. Op zwart zie je alles. Mijn moeder zou het vreselijk gevonden hebben. Ik heb een soort heerlijke nonchalance. Kan me er niet zo druk over maken.”

Na de rondleiding strijken we neer aan de ovale tafel die midden in de kamer staat. “Koffie met iets lekkers”, lacht Lodewegen terwijl ze een dikke muffin met chocoladestukjes erin voorschotelt. “Pluk er maar stukjes af, doe ik ook.” Beschaafd Nederlands spreekt ze. Op Koninklijke toon bijna. De intonatie in haar stem en de handgebaren waarmee ze haar verhalen kracht bijzet zorgen ervoor dat je geboeid blijft luiteren naar ieder woord dat ze zegt. Toen Lodewegen een nieuwe dichtbundel niet aandurfde, schakelde ze in 2011 over op mode. Schilderen deed ze enkel nog voor zichzelf. Haar schilderijen verkochten niet. “Men wil geen Titia. Daar ben ik niet bekend genoeg voor.” De liefde voor mode zat er altijd al in, vertelt ze ter inleiding van het succesverhaal over haar ‘elbowpads’. “Ik liep eens door de stad en ontdekte dat elleboogstukken weer helemaal in waren. Overal zag ik ze: op jassen, truien, bloesjes. Als ik daar nou eens iets op maak, bedacht ik. Zo ontwierp ik mijn eigen elbowpads met bijzondere stoffen, kant, kraaltjes, lintjes. Een rage werd het. Later naaide ik de pads overdwars op handschoentjes waar de vingers af zijn”, roept Lodewegen uitbundig terwijl ze een aantal handschoentjes op de tafel tentoonspreidt. Stuk voor stuk kunstwerkjes. Links en rechts verschillen bij alle exemplaren iets van elkaar. Handschoentjes met een harig vachtje, barokke stofjes, Zwarovski-steentjes, allemaal afgewerkt met een zwart kantje. “Trek ze maar eens aan. Ze zitten als korsetjes.” Een nieuwe rage ontstond. Iedereen wilde ze. Lodewegen verkocht ze aan winkels. Maar ook op straat. “Ik sprong mensen gezellig met open mind voor de borst. Joh, ik heb ze wel zo eens van mijn eigen handen verkocht. Maar die draag ik al 2 maanden zei ik dan. Het maakte niets uit. Vijfendertig euro vroeg ik ervoor, vijfentwintig voor de elbowpads. Maar dan heb je ook iets unieks hè? Ik maakte exemplaren met afbeeldingen Marilyn Monroe en Audrey Hepburn. Allemaal met de hand. Gekkenwerk was het. Zal ik je eens vertellen hoe het komt dat ik zo goed kan naaien?”

Titia Lodewegen voert ons mee naar haar jeugdtijd in Zuidhorn, waar ze geboren is. Vertelt over haar chronische gevoel van eenzaamheid. De pijn die ze soms ervaart. De dood, die altijd wel ergens op de achtergrond aanwezig is. Een kant die waarschijnlijk de meeste mensen minder goed kennen van de flamboyante kunstenares. Eerst terug naar het naaien. “Veertien was ik. ’s Ochtends vroeg ging ik met de bus vanuit Zuidhorn naar Groningen. Naar de hoedenfabriek van de familie Veldbrugge aan de Peltserstraat 1. Daar werd ik te werk gesteld. Moest strikjes, linten en kralen op hoeden maken. Dat kreeg ik zó goed onder de knie, dat het kennelijk ook de directeur opviel. Voortaan mocht ik alle hoeden maken voor tentoonstellingen in de stad. Omdat ik ‘het draad zo mooi weg kon werken tussen het vilt’, zei hij me. Daar is het begonnen.” Lodewegen is autodidact. In alles wat ze doet. Heeft nooit een opleiding of cursus gevolgd. “Ik ben zover gekomen door heel goed naar mezelf te luisteren.” Ze werd een bekende Stadjer. Niet in de laatste plaats om haar excentrieke verschijning –de zwarte baret en handschoentjes werden haar handelsmerk- maar ook haar gedichten werden overal lovend ontvangen. Ze droeg gedichten op aan wijlen Boudewijn Buch, Herman Brood en Driek van Wissen. Kwam vijf en half jaar over de vloer bij Belcampo. “Hij heeft me gestimuleerd tot aan zijn dood.” Ze haalde het landelijke nieuws toen ze een monumentje voor de net overleden David Bowie aan de museumbrug vastknoopte. Dagblad Trouw wijdde een heel artikel aan haar. ‘Een cadeautje.’ “Mijn lievelingsgedicht vroeg je me hè? Avondstilte. Ik draag hem je voor.” Eenzaamheid, leegte, verloren, zijn woorden die opkomen. “Dat klopt. Dat voel ik ook. Ik lijd aan chronische eenzaamheid. Ik zal je ook nog mijn één na laatste gedicht voordragen:

Fuik.
De fuik der eenzamen is als een sluier
Verstorven blikt men in het vale licht
Er zijn geen wegen die nog draden spinnen
Laat staan om het aan flarden te scheuren

Ergens in de verte tast je hand naar het al
Een echo glipt nog door de mazen heen
En keurt het als een bange zweer verrot
Maar op de bodem ligt je de jaren even op

De wade over je zijn is al gespreid tot ster
En als bliksemschicht je laatste adem vat
Iets heeft mij ter had genomen bevrijd vrij
Van de sluier werd mijn nachthemd geweven

Ze zijn er heftiger. Die draag ik je niet voor. Ongelofelijk pijnlijk. Die sfeer heb ik bewust vermeden.” Een zwart glimmend mapje komt op tafel. De dichtbundel Loden Wegen haalt ze tevoorschijn. Opgedragen aan haar drie kinderen. Hun namen prijken op het  eerste blad van het boekje.  “Ik heb drie kinderen, zes kleinkinderen, maar uiteindelijk heb ik niks.”