40-0, het kan allemaal tegenwoordig; In Nieuwe Pekela stierf het amateurvoetbal definitief

Dat het niveau van het amateurvoetbal tegenwoordig om te huilen is, dat is algemeen bekend. Zijn we aan gewend. De spelers die tegenwoordig het shirt van de hoofdmacht van de gemiddelde tweede-, derde- of vierdeklasser verdedigen, waren tien jaar geleden en daarvoor nooit verder gekomen dan het tweede. Trainen? Ach, als je tijd hebt. Rekening houden met de wedstrijd? Als dat zo uitkomt. Als trainer ben je voortdurend aan het schipperen. Voor rechtlijnige trainers, het type Jans Deenen en zaliger Simon Zoetebier, is al lang geen plaats meer. Veel te fanatiek. En ‘we’ accepteren het gewoon. Doen alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Neem Frits Spreen. Hij kreeg nadat zijn ploeg (Borgercompagnie) met 40-0 van PJC verloor, pure competitievervalsing ook nog eens, volgens eigen zeggen allemaal positieve reacties. En dus stierf het ooit zo mooie amateurvoetbal definitief. Op een avond in Pekela.

Hoe je positief kunt reageren op een 40-0 nederlaag is overigens een raadsel. Oké, je zou kunnen zeggen dat het knap is dat het geen 50-0 geworden is, maar verder? Spreen en zijn mannen werden ook al geprezen vanwege het feit dat ze er geen schoppartij van maakten. Dat ze PJC vrij baan gaven dus. Ook dat was vroeger wel anders geweest. Toen wilde niemand met dubbele cijfers verliezen en werd er juist wél stevig gespeeld. Geschopt. Amateurvoetbal is niet meer dan een hobby geworden en dus al lang niet meer de belangrijkste bijzaak ter wereld, zoals voetbal dat heel lang wel was en spelers en trainers daar ook naar handelden.

Frits Spreen is een ontzettend aardige kerel. Hij houdt van voetbal. Hij was scheidsrechter en werd trainer. Frits wilde serieus genomen worden met zijn Borgercompagnie, waar hij aan zijn tweede termijn als trainer is begonnen. Maar, beste Frits, dit kan toch niet? Hoe kun je jezelf nog serieus nemen als je met 40-0 verliest. Als je op stap gaat met negen spelers – mooi knus in drie wagentjes-  waarvan eentje helemaal niet kon voetballen, zei je zelf, en met een negental waarvan twee spelers ook nog eens vijftig plussers waren. Dan ben je een soort van welzijnsmedewerkers. Iemand die met mensen die willen voetballen op pad gaat. Ben je speleider. Die meneer die de portemonnees in een tasje doet en achter de bar in bewaring geeft. Je bent als trainer niet meer serieus te nemen. Je had op moeten stappen, Frits. Je had afstand moeten nemen van deze nederlaag. Van je club, van het voetbal en van de elf (!) geblesseerde spelers. Wie wil nou een trainer die na een 40-0 nederlaag wel gewoon slaapt en vertelt over positieve reacties die hij na de nederlaag ontving? Ik niet. En ik hoop in het kader van de reïncarnatie van het amateurvoetbal geen enkele club.

Frits Spreen dus. Scheidsrechter vroeger. Geen slechte. Ook in de periode dat hij de erwt door de fluit joeg, was Frits te goed voor deze wereld. We gaan terug in de tijd. In de periode tussen kerst en oud en nieuw werd jarenlang een zaalvoetbaltoernooi gespeeld in Nieuw Buinen. Veldvoetbal in de zaal waar rivaliserende supporters elkaar zo nu en dan de zaal uitsloegen. Waar teveel mensen in de zaal aanwezig waren en waar al vanaf de eerste balomwenteling bier gedronken werd. Voetbal leefde toen enorm. Er werd gespeeld op het scherpst van de snede. Frits was daar jarenlang scheidsrechter. Dat ging goed, zo lang Nieuw Buinen maar won of in elk geval de laatste vier haalde. Alle aangestelde arbiters gingen daar prima mee om. Tot die ene wedstrijd. Toen werd het scheidsrechter Frits te gortig. Hij wilde een speler van Nieuw Buinen terechtzetten. Hij floot, zwaaide met de armen, schold: de speler reageerde nog niet. Er ontstond een gesprekje, een opstootje en de speler ging Frits vervolgens te lijf. Sloeg hem. Raak ook. Tumult alom. Bloed.

Frits was aangeslagen, al duurde dat maar even. Net als de 40-0 nederlaag dus alweer vrij snel vergeten was. Frits sprak weliswaar zijn lichte afkeuring uit over de stomp op zijn neus, maar ach. Zoiets kon ook gebeuren. Frits kon het nog wel begrijpen ook en sprak ook toen al geen schande van het gedrag van de voetballer. Hij deed geen aangifte, gaf niet zijn echte mening en sabelde de speler niet snoeihard neer in de media. Hij bagatelliseerde het allemaal wat en floot gewoon verder. Zo van: als scheidsrechter krijg je zo nu en dan een tik voor je hoofd. Is de normaalste zaak van de wereld. Toen al stond zijn geloofwaardigheid op het spel. Maar ach, het was Frits. Een, heel aardige kerel. Liefhebber. Hij wilde niet stoppen, geen daad stellen. Miste hij voortaan zijn podium en ook wel een beetje de aandacht.

Frits werd, nadat de fluit aan de wilgen gehangen was, trainer. Bij Borgercompagnie. Piepklein clubje. Nooit genoeg spelers. De club stelde Spreen aan nadat het zes seizoen onder leiding had gestaan van Henk Oosterwold, de nog steeds als  ex-prof aangeduide man die er kennelijk genoegen in schept om jaar in jaar volkomen talentloze semi-veteranen partijtjes te laten spelen. Frits was wel origineel, deed van zich spreken bij de zwart-witten. Frits was creatief. Borgercompagnie zou als het slechts een beroep zou doen op ‘eigen’ spelers, nooit een rol van betekenis spelen, zoals het dat eigenlijk ook nooit echt deed. De club laveerde de afgelopen jaren tussen de vierde en vijfde klasse en speelde in het seizoen 2003-2004 zelfs in de zesde klasse. Ja, zesde klasse. Was er toen nog. Frits deed het anders en haalde bijvoorbeeld Giovanni Rijnschot naar zijn club. De beste speler ooit, misschien wel een van de beste van de regio. De aanvaller was slechts in het weekend in Borgercompagnie te vinden. Van Frits hoefde hij nooit te trainen, simpelweg omdat hij dit niet van hem kon verwachten. Giovanni woonde namelijk ergens in het westen van het land en pakte alleen op zondag de trein richting Veendam. Elke zondagmiddag schoot hij er een paar in om met de trein weer naar huis te gaan. Rijnschot hield dit een aantal seizoenen vol en door zijn treffers werd Fits gezien als toch wel redelijke trainer. En bovendien stond Borgercompagnie weer op de voetbalkaart. Bij Frits speelden altijd wel twee, drie goede spelers. Daar zorgde hij wel voor. Giovanni dus, maar ook Hein Betrain, zoals eerder Henkie Bouwmeester bijkans alle doelpunten namens de club op zijn naam zette. En kent u loopwonder Ngonde Kamalamdua nog? Kortom: bij Borgercompagnie gebeurde altijd wel wat. Had Frits prima geregeld.

In 2009 stopte Frits. Arnold Molema was zijn opvolger en Borgercompagnie zakte terug. Werd een kleurloze club. Dertien in dozijn. Bovendien werd de spoeling dunner en dunner. De club besloot niet meer met een team in de standaardklasse uit te komen. Het werd recreatief geploeter. De gemeente Veendam overwoog, best logisch,  voor dit seizoen het complex te sluiten. En toen kwam Frits weer in beeld. Samen met een oud-voetballer, Klaas Posthuma, wilde hij de club weer nieuw leven inblazen. Dat lukte. Ze wisten achttien spelers te strikken en begonnen dit seizoen in de vijfde klasse. Frits was bovendien ambitieus en gokte op een plek bij de eerste vijf.

Eind april stond de midweekse inhaalwedstrijd tegen PJC op de rol. Frits en zijn mannen hadden inmiddels 21 punten verzameld. Niet genoeg voor de top vijf, wel voldoende om ploegen als Veelerveen, JVV, Oldambster Boys en Nieuweschans onder zich te laten. In aanloop naar het duel in Nieuwe Pekela rinkelde Frits’ telefoon onophoudelijk. Piet was ziek, Klaas moest overwerken, Geert had een blaar, Henk geen zin, Roel geen voetbalschoenen en de keeper moest bij zijn oma op verjaardag.  Andre kon ook al niet. Zijn voetbalkleding zat nog in de wasmachine. Frits belde de KNVB. Die wilde echter niets. Niet links, noch rechts. De wedstrijd moest gespeeld worden. Frits belde wat rond en slaagde er in om negen mannen te verzamelen. Daarbij geen keeper en iemand die nog nooit gevoetbald had en in Pekela ontdekte dat er lucht in een bal zat. Veldvulling dus. Frits volgde het duel verscholen in de dug-out. Bij rust was het al 21-0 voor de thuisclub. Na de rust deed Borgercompagnie het een stuk beter door slechts negentien treffers te incasseren. 40-0. Elke twee minuten en vijftien tellen een goal. Let wel: daar zit ook het juichen, het pakken van de bal (uit het net) en het teruglopen van PJC richting eigen helft bij in. Elke aanval was dus bijna raak, al liet PJC trainer De Wal weten dat het ook best 50-0 had kunnen worden.
Meteen na het laatste fluitsignaal had trainer Frits de voorzitter van de club, als die er al was en niets anders had, moeten zoeken. ‘Ik kap er mee, en als je verstandig bent doeken jullie de club op. Dit is lachwekkend, heeft niets met voetbal te maken.’ Frits had met schuim om de mond de gemeente Veendam moeten bellen. Moeten vragen of ze de velden wilden meteen sluiten. Frits had de KNVB moeten contacten met het verzoek of de spelers nu nog overgeschreven konden worden naar Veendam 1894. Frits had zich hard moeten maken voor woningbouw op het veld en had zijn spullen – drie trainingspakken en een paar voltstiften- op de stoep van de secretaris moeten zetten en had dus afstand moeten nemen van deze avond, van club en spelers. Dan namelijk had hij géén afscheid genomen van zijn geloofwaardigheid.

Dat deed hij  dus niet. Hij dronk een borrel met zijn negental, vertelde een mop, vertelde een dag later over al die positieve reacties en zat zondag na de zeperd weer gewoon op de bank.
Borgercompagnie en Frits  hebben alle amateurvoetballers te schande gemaakt. Onvergeeflijk. Maar ook hier komt Frits wel weer mee weg. Hij is en blijft namelijk een heel aardige kerel.

Zijn geloofwaardigheid is hij echter kwijt, zoals hij zich ook nooit meer trainer mag noemen. Een trainer suggereert namelijk de link met voetbal, en dit allemaal heeft helemaal niets meer met het ooit zo mooie voetbal van doen.
Vincent Muskee