Bijles

Interview stadsimker Bart van Egteren

GRONINGEN – Als de bijen uitsterven, volgt de mensheid na vier jaar, zou Albert Einstein ooit hebben beweerd. En dat de bij de laatste jaren ernstig zijn voortbestaan wordt bedreigd -in Nederland ligt de bijensterfte op bijna dertig procent- is allang geen nieuws meer. De bij heeft het moeilijk. Ook in het noorden leggen honingbijen massaal het loodje. Goede imkers die 80 tot 90 procent van hun bijenvolken verliezen zijn geen uitzondering, weet stadsimker Bart van Egteren. Geheel tegen de stroom in doen zijn volken het goed. Groot Groningen zocht hem op en werd even stevig bijgeschoold.

Iets buiten de stad, midden in de bossen van het La Roy-gebied van de wijk Lewenborg wordt er volop gevlogen. Niet door de vliegtuigen met vakantiegangers die vanuit Groningen Airport Eelde naar de zon vliegen, maar door iets anders dat in het bos verstopt ligt. Via een smal kronkelpaadje achter basisschool de Swoistee kom je bij de poort van het La Royhuis waar de bijenstallen staan. Bart van Egteren draait de deur van het slot. Voor de veiligheid van de journalist nemen we plaats aan de tafel in het huis dat voor iedere stedeling toegankelijk is. Een prik is zo uitgedeeld en daar zitten we niet op te wachten. Vanuit de lichte huiskamer hebben we goed zicht op de talloze rondvliegende honingbijen in het tuintje bij de kasten. De bijenstallen in het La Roy-bos (een natuurgebied van zo’n 8 hectare) zijn één van de 15 stallen in en rondom de stad. Dertig kasten staan er, waarvan twaalf van Bart zelf. De rest is eigendom van andere –particuliere- imkers. In totaal bezit Bart vijftig kasten in de stad. Iedere kast is goed voor zo’n 10 liter honing per oogst. “Oogsten doen we twee keer per jaar. In het voorjaar en in de zomer”, legt Bart uit. “Lente- en zomerhoning.” Ondertussen stapt Sieni Pijper het huis binnen. Ze wil even checken hoe het haar 6 bijenvolken vergaat. Haar vader deed altijd al in bijen, toen hij met pensioen ging stopte hij. Toen een bevriende imker tegen haar zei: ‘ik ga naar de bijenstal’, riep Sieni vastbesloten: ik ga mee. “Er was nog plek voor 2 imkers. Ik ben onmiddellijk de cursus tot imker gaan volgen. Nu heb ik hier 6 volken.”

Hoe het kan dat de stadsbijen het zo goed doen in tegenstelling tot hun soortgenoten in de provincie, willen we weten.  “In een stad zijn de leefomstandigheden voor bijen nog veel beter dan op het platteland. De biodiversiteit hier in de stad is enorm. In het voorjaar zitten de bijen veel in het wilgengebied. Daar valt veel nectar en stuifmeel te halen. En een bij vliegt maximaal drie tot 4 kilometer om zijn voedsel te halen, nou ja, en met al die stadstuintjes komen ze snel aan eten.” Op het platteland lukt dat niet. Dat is één grote groene oase. Maar de oorzaak van de massale sterfte ligt ingewikkelder. Het is een optelsom van verschillende dingen. Natuurlijk, de verschraling van de biodiversiteit is één.  Maar ook pesticiden, ziekten in de bijenvolken en te weinig voedsel in het najaar doen de bij de das om. Als er van de tien volken één de winter niet doorkomt is dat heel normaal. Maar er zijn goede imkers die bijna alles kwijt zijn geraakt. Jan kruit bijvoorbeeld. Hij is 70 procent kwijt. En Dirk de Graaf. Hij verloor 32 van zijn 34 volken.”

 

Enig speurwerk op internet leert dat de door de mens gebruikte pesticiden en de varroamijt, een minuscule Zuid-Aziatische parasiet, de voornaamste boosdoeners zijn die de bijen met de dood bedreigen. De varroamijt vloog in de jaren tachtig liftend op de rug van wilde bijen vanuit Zuidoost Azië ons land binnen. Deze minuscule wolf in schaapskleren besmette talloze bijenvolken met een afschuwelijk virus: het verkreukeldevleugeltjesvirus. De parasiet prikt gaatjes in de cocon van de weerloze larf en zuigt het bloed op. Deze bijtjes worden geboren met  verkreukelde vleugeltjes. Het werken en poetsen gaat nog goed, maar zodra ze willen vliegen om nectar te halen, vallen ze dood neer. Vleugeltjes met kreukels doen het niet. Andere deskundigen wijzen juist de mobieltjes aan als het grootste probleem. De belsignalen zouden de bijen desoriënteren. Even voor de duidelijkheid: De carnica –de officiële naam voor honingbij-  kan niet overleven zonder imker, dus leeft in een kast, de wilde bijen uiteraard wel. Beide bijen, beschermd of wild, zijn hun voortbestaan niet zeker. Bijensterfte is in ieder geval niet een probleem waarvoor de oplossing zomaar even uit de mouw te schudden is, het is sterker nog, een behoorlijk complexe kwestie. “Het is inderdaad een serieus probleem. Van de 280 wilde bijensoorten in Nederland, wordt zo’n 80 procent bedreigd.”

Naast stadsimkeren geeft Bart ook ‘bijles’ op scholen. “Ik geef kinderen les in één van de vier schoolwerktuinen in de stad. Op twee daarvan hebben we ook bijenstallen. Dat doe ik in samenwerking met Natuur en Duurzaamheid Educatie (NDE), een afdeling waarmee de gemeente Groningen het basisonderwijs met natuurlessen op vier kinderwerktuinen wil stimuleren. Kinderen vinden het geweldig. Ze mogen meehelpen, zien met eigen ogen hoe het eraan toe gaat. Dat is veel leuker dan natuur uit een boekje.”

Nadat we onszelf in een wit pak hebben gehesen, neemt de imker ons mee naar de tuin waar de bijenstallen en rieten bijenkorven staan. Uit de kasten wordt honing gehaald, de korven staan er ‘voor de leuk’. “Daarmee laten we zien hoe imkeren vroeger ging.”Overal klinkt gezoem. Alleen maar gezoem. Bart haalt de afdekplaat van een kast los en peutert er (met blote handen) een honingraat uit. Duizenden honingbijtjes krioelen onverstoord door elkaar over en tussen het plakkerige raat. Een hete, zacht zoete honinglucht stijgt omhoog. Aan niets is te zien dat de beestjes met uitsterven worden bedreigd. De honing uit de kasten wordt gewonnen. Maar zover is het nog niet. De imker heeft het nu voornamelijk druk met zwermen. Met bijen die op een goede dag besluiten dat ze met z’n allen uit de kast vliegen en ergens aan een tak, rond een paal of aan een dakgoot gaan hangen. Kun je niets aan doen. “Wanneer er ergens een zwerm gesignaleerd is, bellen mensen mij. Ze kunnen een hoop overlast veroorzaken. Kijk, dit is een voorbeeld van zo’n zwerm. Die zat hier boven in de boom”, wijst hij naar een rieten korf op de grond. Honderden op elkaar gepropte bijen vormen een dikke bult ter grootte van een veldkei. De bovenkant is afgedicht met gaas. “Ik houd de korf onder de tak, wapper eraan en zo vallen ze in de korf. Het is de bedoeling dat ze straks terug naar de kast gaan.” Wanneer het oogstseizoen is aangebroken gaat Bart de honing met hulp van een schare vrijwilligers slingeren. Daarna vult hij er potten mee die verkocht worden via winkels in de stad. “Honing van stadsbijen. Puur natuur, zonder toevoegingen. Gezonder krijg je het niet.”

Hoe werkt het in een bijenkast?

In tegenstelling tot onze koningin, is de bijenkoningin geen koningin omdat erfopvolging dat nou eenmaal bepaald heeft. Iedere dame in het bijenvolk maakt een evenredige kans om koningin te worden. Het werkt als volgt: een koningin, de enige vruchtbare bij,  legt per dag zo’n 2000 eitjes die na drie dagen  allemaal uitkomen. Daar begint ze in februari mee. Die larfjes worden allemaal gevoed door de vrouwtjesbijen, de werksters. Slechts één van die tweeduizend larfjes wordt koningin. Dat bepalen de werksters. Zij kiezen één larf uit die ze meerdere malen per dag koninginnegelei geven, een goedje dat ze zelf bij zich dragen in hun voedersapklieren. De tot koningin gekozen bij heeft sowieso mazzel, met een beetje geluk kan zij vier jaar oud worden. Acht dagen na haar geboorte gaat de koningin op bruidsvlucht. Dan heeft ze seks met zo’n twintig mannetjes, de darren. Het geluk is voor de darretjes echter van korte duur: na de bevruchting valt hun geslachtsapparaat eraf en vallen ze dood neer. Gestorven in het harnas. Slechts 24 dagen oud. De werksters hebben intussen hun laatste stadium ook bereikt, na 21 dagen binnendienst worden ze nu medewerkster buitendienst. Vliegbijen, heten ze in de laatste periode van hun leven. De vliegbij verzamelt nectar en stuifmeel voor haar bijenvolk. Dat proces is voor het voortbestaan van de bloemen en (fruit)bomen zo belangrijk, het stuifmeel wat op de pootjes en op het lichaam van de bij zit, valt min of meer per ongeluk op de stamper van de bloem en hopla, de bloem is bevrucht. Na zo’n dag of 20 hard werken, valt ook zij dood neer en begint het circus weer opnieuw.